Rekentaalkaart
1.rekendoel Bepaal het rekendoel van de opgave
2.denkstappen Ga na welke denkstappen leerlingen maken, in relatie tot: • de context • het model • het formele rekenen
3.taal Ga na welke taal hiervoor nodig is en maak daarbij onderscheid in: • dagelijkse woorden • schooltaalwoorden • vaktaalwoorden • specifieke formuleringen
4.scaffolding Ondersteun deze taal gericht met scaffolding-strategieën, zoals:
◦ herformuleren van leerlinguitingen (gesproken of geschreven)
◦ verwijzen naar of herinneren aan de benodigde denkstappen
◦ verwijzen naar of herinneren aan specifieke woorden en formuleringen
◦ vragen om gesproken of geschreven taal te verbeteren
◦ correcte, voorbeeldmatige taaluitingen van leerlingen herhalen
◦ de kwaliteit van taaluitingen benoemen
◦ leerlingen vragen of aanmoedigen om zelfstandig de talige denkstappen te verwoorden
Lees meer over het project
